De ooglens is een helder, biconvex (aan beide kanten bol) orgaan in je oog, ongeveer ter grootte van een erwt. Hij ligt direct achter de iris en de pupil, en wordt op zijn plaats gehouden door dunne vezels die hem verbinden met het ciliairlichaam. De ooglens bestaat voor een groot deel uit water en eiwitten, en heeft geen bloedvaten of zenuwen, waardoor hij doorzichtig blijft.
De belangrijkste functie van de ooglens is het bundelen van licht dat door de pupil valt, zodat het scherp wordt afgebeeld op het netvlies aan de achterkant van je oog. Door de spieren van het ciliairlichaam kan de ooglens van vorm veranderen: hij wordt boller om dichtbij scherp te zien (accommodatie) en vlakker om veraf scherp te zien. Dit vermogen om te accommoderen neemt met de leeftijd af, wat je merkt als je ouder wordt en moeite krijgt met lezen op korte afstand.
De ooglens blijft je hele leven groeien, zij het heel langzaam. Naarmate je ouder wordt, wordt de lens dikker en minder elastisch. Dit kan leiden tot presbyopie (ouderdomsverziendheid) en op den duur tot vertroebeling van de lens, wat staar of cataract wordt genoemd.